|
|
|
Roofvogels en uilen in de wereld:
|
|
|
|
 |
ONDER FAMILIE |
: Pandioninae |
|
Visarend - Pandion Haliaetus (Linnaeus, 1758) |
Osprey |
Balbuzard pêcheur |
Fischadler |
Falco pescatore |
Fiskgjuse |
Aguila pescadora |
Águia-d'asa-redonda |
Rybołów |
Águia-pesqueira |
Populatie trend van deze soort is stabiel |
Pandion haliaetus is gesplitst in 2 soorten:
- Pandion haliaetus
Pandion haliaetus haliaetus
Pandion haliaetus carolinensis
Pandion haliaetus ridgwayi
- Pandion cristatus
Pandion cristatus cristatus
Pandion haliaetus melvillensis
Pandion haliaetus leucocephalus
Pandion haliaetus microhaliaetus |
| Lengte : 55 - 60 cm |
| Spanwijdte : (M) circa 150 cm / (V)
circa 170 cm |
| Gewicht : (M) 1400 - 1600 gram / (V) 1400 -
1600 gram |
| De Visarend is
in vlucht te herkennen aan de zeer lange, smalle, meestal enigszins
geknikte vleugels en vooral aan de blinkend witte onderkant van het
lichaam. De bovenkant van het lichaam is donkerbruin. De witte kop met
donkere oogstreep, die tot in de nek doorloopt, is in vlucht opvallend ver
naar voren gestrekt. De gebandeerde staart is iets korter dan de vleugels
breed zijn. Typisch zijn ook het vele wiekelen (bidden) boven het water en
het stootduiken bij de visvangst. Wijfjes en jonge vogels hebben
gewoonlijk en duidelijke donkere borstband over de witte onderkant.
Bovendien zijn bij de jonge vogels de kruin en de nek min of meer donker
gestreept, terwijl aan de bovenkant van de vleugels de lichte zomen rond
de dekveren opvallend zijn. |
| De jacht boven het water wordt geregeld onderbroken door
bidden. Wanneer de arend een vis aan het wateroppervlak ontdekt, dan stort
hij zich met aangelegde vleugels en naar voren gestrekte klauwen vrijwel
loodrecht naar beneden in het opspattende water. Vaak verdwijnt hij geheel
onderwater en komt onmiddellijk weer boven met een spartelende vis, als
hij succes heeft, in de klauwen. Hij stijgt op en schudt zich dan krachtig
droog, zodat de druppels rondvliegen en vliegt met de buit naar een plaats
om deze te kroppen of naar de horst. |
| Als kosmopoliet bewoont de visarend
in vijf ondersoorten vrijwel alle werelddelen met uitzondering van
Zuid-Amerika. De populatiedichtheid is evenwel zeer uiteenlopend. Hij
broedt in Noord- en Oost-Europa, dwars door Azië tot aan de Grote Oceaan,
in Indonesië, aan de kusten van Australië, in sommige gebieden van Afrika
en in Noord- en Midden-Amerika. |
| Door bossen omgeven visrijke meren en andere rustige
wateren in het binnenland, maar eveneens in beboste of rotsachtige streken
nabij zeekust. |
Op de broedplaats wordt vaak een hel klinkend "jip-jip-jip"
gehoord.
 |
| De Visarend vangt vrijwel
uitsluitend vis, met een gemiddeld gewicht van 300 gram, waarin hij
overigens op zo helder mogelijk water is aangewezen. Hij is uitstekend
aangepast om glibberige vissen vast te houden. De buitenste tenen kunnen
naar achteren worden gedraaid, zodat twee tenen naar voren en twee naar
achteren wijzen. De onderkant is bezet met stekelige schubben en bovendien
zijn de nagels vlijmscherp, erg lang en bijna half cirkelig gebogen. |
| Visarenden zijn na 3-4 jaar
geslachtsrijp. Daar de partners van elk paar elk voorjaar, zij het niet
altijd gelijktijdig, op de broedplaats van het vorige jaar terugkeren,
vormen zij veelal steeds opnieuw een paar. Broedtijd: Het leggen begint
eind april. Legselgrootte: Meestal 3, zelden 2 of 4 eieren (61 x 46 mm, 73
gram). |
| Sterftecijfer: Bij jonge vogels circa 54%, bij oude
vogels circa 18%. Hoogste leeftijd: 25 jaar in de vrije natuur. |
| ©: Dhr. Hans Hellebuyck -
najaar 2009, Maderasvulkaan eiland
Ometepe Nicaragua |
Konica Minolta Z3; 12x optische zoom |
|
|
|
|