|
|
|
Roofvogels en uilen in de wereld:
|
|
|
|
Schreeuwarend - Aquila Pomarina (Brehm, 1831) |
Lesser spotted eagle |
Aigle pomarin |
Schreiadler |
Aquila macchiata minore |
Mindre skrikörn |
Aguila pomerana |
Águia-pomarina |
Orlik krzykliwy |
Lille skrigeørn |
Populatietrend van deze soort is onbekend. |
Er zijn twee ondersoorten gemeld:
- Aquila pomarina
- Aquila hastata |
| Lengte : 61 - 66 cm |
| Spanwijdte : (M) circa 146 cm / (V)
circa 160 cm |
| Gewicht : (M) 1100 - 2000 gram / (V) 1100 - 2000 gram |
| Kleine arend, nauwelijks groter dan de
buizerd. Verenkleed bij oude vogels bruin, bovenkop, nek en vleugeldekveren lichter bruin; rug, staart en vleugels donkerder bruin. Van de onderzijde zijn, in tegenstelling tot de
bastaardarend, de lichaamsveren lichter dan die van vleugels en staart. De staart is smal, middelmatig lang, afgerond. Snavel zwart, poten geel, iris geelbruin. Beide geslachten gelijk gekleurd, vrouwtje iets groter. Jonge vogels eenkleurig chocoladebruin; vleugeldekveren met lichte punten en een lichtere nekvlek. |
| Vleugels van lichaam tot uiteinde even breed, 'als een
plank'; slagpennen puntig, kop naar voren gestrekt. Tijdens het
zweefvliegen worden de vleugels gewelfd gehouden. |
| Europa, Zuidwest-Azië, India. In Polen en het oosten van
Tsjechië relatief talrijke broedvogel, elders in Midden-Europa een
zeldzame gast. |
| Bossen op laagvlakten en bergwouden; in de Balkan ook
droge bergwouden tot hoogten van 1800 meter. |
Luidruchtig op de broedplaats 'juub-juub-juub-juub-jibjibjibjib.
 |
| Vooral kleine zoogdieren als woelmuizen, hermelijnen en
konijnen, vogels, kikkers en hagedissen, (in het winterkwartier) grote
insekten en ook aas. Ontfutselt bij voedselschaarste andere roofvogels hun
buit. |
| De horst wordt vaak gebouwd in een oud nest van een
buizerd of een wouw, in de onderste
kruinlaag in oude loof- of naaldbossen. Op de rand van de horst wordt
steeds weer vers groen aangebracht. Beide partners bouwen gezamenlijk het
nest. Broedtijd April - Mei. Grootte van het nest: twee eieren, broedduur
38-42 dagen, nestperiode 50-55 dagen. Het vrouwtje broedt het meest en
wordt door het mannetje van voedsel voorzien. Het paar blijft levenslang
bij elkaar. |
| De schreeuwarend cirkelt op zoek
naar voedsel laag boven de bosweiden en stort zich met aangelegde vleugels
op zijn prooi. Lopend vangt hij meest kikkers en insecten. In de broedtijd
cirkelen de paren luid roepend boven hun territorium. De mannetjes laten
zich met aangelegde vleugels vallen en schieten onmiddellijk met gesloten
vleugels weer omhoog. De Midden-Europese
schreeuwarenden overwinteren in de savannen van Afrika. Zij trekken in
het midden van augustus tot midden september weg en keren eind maart,
begin april weer terug. |
|
|
|
|