|
|
|
Roofvogels en uilen in de wereld:
|
|
|
|
Monniksgier - Aegypius Monachus (Linnaeus, 1766) |
Cinereous vulture |
Vautour moine |
Mönchsgeier |
Avoltoio monaco |
Grågam |
Buitre negro |
Abutre-preto |
Sęp kasztanowaty |
Munkegrib |
Populatie van deze soort loopt terug. |
| Er zijn geen ondersoorten gemeld (monotypisch). |
| Lengte : 100 - 110 cm |
| Spanwijdte : 250 - 295 cm |
| Gewicht : (M) 7000 - 11500 gram / (V) 7000 -
12500 gram |
| Grootste gier van de Oude Wereld.
Verenkleed donkerbruin, kop lichtgrijs, naakt, met blauwachtige
huidplekken en donkere vlek rond de ogen, donkerbruine halskraag. Snavel
zwartbruin met bleek violette washuid, poten lichtgrijs, nagels zwart,
iris zwartachtig. Beide geslachten gelijk gekleurd. Jonge vogels met
donkerbruin verenkleed als oude vogels en zwartbruine kop. |
| Als de Vale Gier
met lange brede vleugels, kleine kop en wat langere, wigvormige staart.
Tijdens het zweefvliegen worden de vleugels horizontaal gehouden, alleen
de slagpennen wijzen iets omhoog. |
| Spanje, Majorca, Sardinië, Sicilië, Balkan eilanden tot
Centraal-Azië, India en China. Het aantal monniksgieren neemt in de
Europese broedgebieden af. De oorzaken zijn slechts ten dele te wijten aan
directe menselijke vervolging, maar vooral door landschapsveranderingen en
verslechtering van de voedselsituatie door rationalisering van de
veehouderij en daarmee het houden van vee op weilanden. Door het uitzetten
van in dierentuinen gefokte jonge vogels, heeft men op Majorca de
teruggang van het bestand kunnen stuiten. |
| Beboste afgelegen berggebieden met veel wilde dieren. |
| Vrij zwijgzaam; op de horst grommende en knorrende, bij
kadavers krassende en sissende geluiden. |
| Allerlei dode dieren; bij gebrek aan valwild slaat de
Monniksgier ook levende dieren als lammeren,
marmotten, hazen en schildpadden. |
| Nestelt meestal in hoge alleenstaande bomen op
berghellingen. Beide partners werken samen met het machtige bouwsel van
stevige takken. Veel horsten worden jaren achtereen gebruikt. Broedtijd
maart, april. Grootte van het nest: een ei, broedduur 52-55 dagen,
nestperiode jongen circa 120 dagen. Jonge vogels keren, ook na het
uitvliegen, nog geruime tijd naar de horst terug voor voedsel en
overnachten er ook. |
| De Monniksgier is met zijn
sterke snavel in staat de huid van kadavers open te rijten, zodat ook de
vale gier bij de ingewanden kan komen. Leeft minder in groepen dan de vale
gier en duldt tijdens het kroppen geen soortgenoten. Oude vogels blijven
het hele jaar binnen hun territorium, jonge vogels gaan rondzwerven. |
|
|
|
|