|
|
|
Roofvogels en uilen in de wereld:
|
|
|
|
Steppekiekendief - Circus macrourus (Gmelin, 1770) |
Pallid harrier |
Busard pâle |
Steppenweihe |
Albanella pallida |
Stäpphök |
Aguilucho papialbo |
Tartaranhão-de-peito-branco |
Błotniak stepowy |
Steppehøg |
Populatie van deze soort loopt terug. |
| Er zijn geen ondersoorten gemeld (monotypisch). |
| Lengte : 43 - 48 cm |
| Spanwijdte : 105 - 120 cm |
| Gewicht : (M) 330 gram / (V) 440 gram |
| In het veld eg moeilijk te
onderscheiden van de blauwe-
en grauwe kiekendief. Vooral
de wijfjes en jonge vogels van deze drie soorten zijn nauwelijks van
elkaar te onderscheiden. Alleen volwassen mannetjes zijn aan de volgende
kenmerken te herkennen: van onderen tot aan de zwarte handpennen zuiver
wit; van boven licht grijs. Dus over het algemeen licht en met duidelijk
slankere, spitsere vleugels dan het overeenkomstige
blauwe kiekendiefmannetje,
waarvan hij zich onderscheidt doordat hij geen witte stuit heeft.
Vrouwtjes en jonge vogels zijn te herkennen aan een lichte halsring, die
echter alleen te zien is onder zeer gunstige omstandigheden. |
Van de Oekraïne en Wit-Rusland oostwaarts via Sovjet-Unie
tot aan de Jenissei en Noordwest-China.
 |
| Steppen en andere open landschappen, die ook de voorkeur
genieten van de blauwe kiekendief. Beide soorten broeden soms in elkaars
nabijheid. |
Op de broedplaats een karakteristieke alarmroep 'giggigkirrrk'
De bedelroep van het vrouwtje is een schel, luid 'tsieieh'.
 |
| Jaagt net als de andere soorten kiekendieven laag boven
de grond en grijpt zijn prooi bet als zij bij verrassing. In het
broedgebied worden hoofdzakelijk kleine zoogdieren (zoals woelmuizen en
lemmingen), maar ook vogels (leeuweriken, piepers en kleine jonge vogels)
geslagen; reptielen en insecten spelen slechts een ondergeschikte rol. |
Met 2 - 3 jaar geslachtsrijp. Anders dan bij de andere
soorten kiekendieven, vindt de paarvorming al plaats in het
winterkwartier, zodat de steppekiekendieven
gepaard in het broedgebied arriveren (April). Daar worden gezamenlijke
baltsvluchten uitgevoerd tot het 1ste ei is gelegd. Daarna baltst het
mannetje alleen.
De horst wordt door beide partners op de grond gebouwd, veelal in de buurt
van water, maar op een droge plaats en onder beschutting van hoge
begroeiing. Broedtijd beging mei, legselgrootte 3 - 5 witte eieren (43 -
34 mm; 28 gram), broedduur circa 30 dagen, nestperiode: 40 - 45 dagen. Na
het uitvliegen van de jongen blijft het gezin nog ongeveer 3 weken bijeen. |
|
|
|
|