|
|
|
Roofvogels en uilen in de wereld:
|
|
|
|
 |
ONDER ORDE |
: |
|
 |
ONDER FAMILIE |
: |
|
Velduil - Asio flammeus (Pontoppidan, 1763) |
Short-eared Owl |
Hibou Des Marais |
Sumpfohreule |
Gufo di palude |
Jorduggla |
Búho Campestre |
Coruja-do-nabal |
Uszatka błotna |
Mosehornugle |
Populatie trend van deze soort is onbekend. |
Er zijn tien ondersoorten gemeld:
- Asio flammeus flammeus
- Asio flammeus galapagoensis
- Asio flammeus ponapensis
- Asio flammeus sandwichensis
- Asio flammeus domingensis
- Asio flammeus portoricensis
- Asio flammeus pallidicaudus
- Asio flammeus bogotensis
- Asio flammeus suinda
- Asio flammeus sanfordi |
| Lengte : 34 - 42 cm |
| Spanwijdte : 96 - 107 cm |
| Gewicht : (M) 300 - 430 gram / (V) 350 -
500 gram |
| De velduil
lijkt op de ransuil, maar heeft zeer
korte, nauwelijks herkenbare oorpluimen. Diagnostische kenmerken in
vergelijking met de ransuil zijn de
zwavelgele iris en de zwarte omranding van de ogen in de verder lichte
gezichtssluier en bovendien de in de lengte gestreepte onderzijde van het
lichaam (zonder dwarsbandering). De grondkleur van het verenkleed is licht
geelbruin, op de bovenzijde met een grof patroon van brede donkerbruine
vlekken, hetgeen goede camouflage biedt voor de op de grond zittende uil. |
| De bewegingen van de velduil
zijn sierlijk en krachtig. De vogels kunnen goed lopen en springen op de
grond en gebruiken in de broedtijd ook echte "tunnels" in het hoge gras.
Bij het lopen door de lage vegetatie duwen jonge uilen met zijwaartse
kopbewegingen hinderlijke grashalmen opzij. Ook kunnen zij klauteren in
bosjes, met gebruikmaking van klauwen, vleugels en snavel. De vlucht maakt
een lichte, kiekendiefachtige indruk. |
| Het verspreidingsgebied van de hol-Arctische nominaatvorm
omvat grote gebieden in noordelijk Eurazië en in Noord-Amerika, van de
toendra in het noorden tot de steppen in het zuiden. Andere ondersoorten
komen voor in delen van Zuid-Amerika en op enkele eilanden in het
Caribische gebied, de Zuid-Atlantische Oceaan en de Stille Oceaan. de
grootste aantallen velduilen (in totaal meer dan
90% van het totale Europese bestand) komen voor in Rusland (meer dan
10.000 broedparen), Finland (circa 5500 broedparen), Zweden (circa 3500
broedparen) en Noorwegen (circa 3200 broedparen). |
| De velduil leeft in open terrein
met lage, maar genoeg dekking biedende, vegetatie. Men kan de uil vooral
aantreffen in vochtige, ten dele moerasachtige laagten, venen en
verlandingszones en in open duinlandschappen met vochtige plaatsen langs
de kust. Een vereiste voor broeden op bijvoorbeeld het Duitse Waddeneiland
Borkum was feit dat daar sinds de indijking grote aantallen veldmuizen
voorkwamen en deze populaties niet meer door overstromingen ten gronde
konden gaan. |
| Het geluid van een velduil is
dof en ingetogen, relatief zacht en draagt in open terrein niet ver. De
territoriale zang van het mannetje is een snelle reeks van 10 - 20
eenvoudige, duidelijke boe-klanken (ongeveer 1 - 4 klanken per seconde). |
|
|
|
|