|
|
|
Roofvogels en uilen in de wereld:
|
|
|
|
 |
ONDER ORDE |
: |
|
 |
ONDER FAMILIE |
: |
|
Sneeuwuil - Nyctea scandiaca (Linnaeus, 1758) |
Snowy owl |
Harfang des neiges |
Schneeeule |
Civetta delle nevi |
Fjälluggla |
Búho Nival |
Coruja-das-neves |
Sowa śnieżna |
Sneugle |
Populatie trend van deze soort is onbekend. |
| Er zijn geen ondersoorten gemeld (monotypisch). |
| Lengte : 55 - 56 cm |
| Spanwijdte : ? cm |
| Gewicht : (M) 1700 - 2300 gram / (V) 1700 - 2300 gram |
| Bijna zo groot als de
Oehoe met ronde kop en zeer kleine,
meestal niet zichtbare oorpluimpjes met zwarte puntjes. Mannetje:
verenkleed bijna helemaal wit met een paar donkere vlekjes op de bovenkop,
op de vleugeldekverven en de buik; handpennen met zwarte punten, staart
meestal met een of twee donkerbruine banden, veelal zuiver wit loopbeen en
tenen sterk bevederd. Vrouwtje: als mannetje maar iets groter en op onder-
en bovenzijde gebandeerd met donkerbruine golflijntjes; staart met vier of
meer donkere dwarsbanden; gezicht en keel echter altijd zuiver wit. Snavel
zwart, iris heldergeel. Jonge vogels donkerbruin met vuilwitte, smalle
bandering. |
| Als
Buizerd opvallend lange, ronde vleugels; zweeft veel. |
Canada, China, Faeröer, Finland, Groenland, IJsland,
Japan, Kazachstan, Letland, Noorwegen, Russische Federatie, Saint-Pierre
en Miquelon, Svalbard en Jan Mayen, Zweden, Verenigd Koninkrijk, Verenigde
Staten.
Zwervend: Albanië, Oostenrijk, België, Bermuda, Kroatië, Tsjechië,
Denemarken, Frankrijk, Duitsland, Hongarije, Iran, Ierland, Korea,
Kirgizstan, Luxemburg, Mongolië, Nederland, Pakistan, Polen, Portugal,
Slowakije, Turkmenistan, Oekraïne.
Aanwezigheid onzeker: Montenegro, Servië. |
| Arctische toendra ten noorden van de boomgrens,
rotsachtige heuvelland, overzichtelijke gebieden met bodemverhogingen;
buiten de broedtijd in open gebieden, vooral aan de kust. |
| Bij opwinding aanhoudend gekekker, alarmroep een hard 'kreeh'
of diep 'kroeh'; in de broedtijd een blaffend 'wouw' of 'tsroeh' tot op
tien kilometer afstand hoorbaar. |
| Hoofdzakelijk lemmingen, maar ook andere zoogdieren tot
de grootte van een sneeuwhaas en vogels (sneeuwhoenders). |
| Nest ondiepe kuil op een verhoogde plaats in kale, droge
gebieden met een goed uitzicht rondom. Broedtijd mei. Grootte van het nest
4-10 (11) eieren, broedduur 32-33 dagen, nestperiode jongen ongeveer 25
dagen. Vrouwtje broedt vanaf het eerste ei en wordt door het mannetje
gevoerd. Sneeuwuilen leven monogaam; nieuw
huwelijk per seizoen. |
| Sneeuwuilen jagen overdag en in
de schemering. Zij bemachtigen hun prooi door een korte spurt vanaf een
uitkijkplaats op de grond. Om in een korte periode van voedselgebrek niet
te verhongeren, leggen de vogels het hele jaar door voorraden aan.
Bovendien beschikken ze over zo´n grote vetreserve, dat ze tot veertig
dagen zonder voedsel kunnen. Vanaf augustus verlaten zowel de oude als
jonge vogels het broedgebied en zwerven zuidwaarts; vanaf maart zijn ze
weer in hun territoria aanwezig. |
|
|
|
|