|
|
|
Roofvogels en uilen in de wereld:
|
|
|
|
 |
ONDER ORDE |
: |
|
 |
ONDER FAMILIE |
: |
|
Oeraluil - Strix uralensis (Pallas, 1771) |
Ural Owl |
Chouette de l'Oural |
Habichtskauz |
Allocco degli Urali |
Slaguggla |
Cárabo Uralense |
Coruja-uralense |
Puszczyk uralski |
Slagugle |
Populatie trend van deze soort is onbekend. |
Strix uralensis is gesplitst in twee soorten:
- Strix uralensis
Strix uralensis uralensis
Strix uralensis buturlini
Strix uralensis liturata
Strix uralensis macroura
Strix uralensis carpathica
Strix uralensis fuscescens
Strix uralensis hondoensis
Strix uralensis japonica
Strix uralensis yenisseensis
Strix uralensis nikolskii
Strix uralensis tatibanai
Strix uralensis coreensis
Strix uralensis daurica
Strix uralensis momiyamae
- Strix davidi |
| Lengte : circa 61 cm |
| Spanwijdte : ? cm |
| Gewicht : (M) 700 - 900 gram / (V) 700 -
900 gram |
| Groter en met langere staart dan de
bosuil; grote lichtgrijze of
bruinachtige gezichtssluier, ronde kop. Verenkleed lichtgrijs met
duidelijke, bruinzwarte lengtestrepen. Vleugels en staart sterk
gebandeerd. Snavel geel, nagels geelbruin met donkerbruine punten, ogen
relatief klein, iris zwartbruin. Geslachten gelijk gekleurd, vrouwtje iets
zwaarder. |
| Vliegbeeld met relatief lange, wigvormige afgeronde
staart; vleugels en staart duidelijk dwars gebandeerd. |
| Albanië, Oostenrijk, Wit-Rusland, Bosnië en Herzegovina,
Bulgarije, China, Kroatië, Tsjechië, Estland, Finland, Duitsland,
Hongarije, Italië, Japan, Kazachstan, Korea, Letland, Litouwen, Macedonië
, Mongolië, Montenegro, Noorwegen, Polen, Roemenië, Russische Federatie,
Servië, Slowakije, Slovenië, Spanje, Zweden, Oekraïne. |
| Oude loof-, gemengde en naaldbossen met talrijke open
plekken, vaak nabij water; in Siberië ook in parken. |
| Keffend 'waoe waoe' of 'krah'; mannetje in de paartijd 'hoeoe
hoehoe'. Vrouwtje roept 'kreeh' of 'koewet'. |
| Woelmuizen en spitsmuizen, maar ook andere kleine
zoogdieren tot de grootte van een eekhoorn en vogels tot de grootte van
een kraai of duif, amfibieën en insecten. |
| Benut grote, oude roofvogelhorsten, holten en nestkasten.
Broedtijd maart - april. Grootte van het nest 3-4 eieren, broedduur 28
dagen, nestperiode 34-35 dagen. Vrouwtje broedt alleen, vanaf het eerste
ei. Zij wordt door het mannetje verzorgd en begint pas zelf met jagen als
de jongen op het punt van uitvliegen staan. Maar dikwijls verlaten de
jongen al eerder het nest en zitten dan in de nabijheid op de takken. Niet
zelden tuimelen ze naar beneden en zijn dan in gevaar. Met een week of zes
zijn de jongen vliegvlug, maar worden nog enige tijd door de ouders
gevoerd. |
| Oeraluilen jagen 's nachts en in
de schemering; zijn er echter jongen dan ook overdag. Zij jagen het liefst
in het open veld en speuren naar prooi vanaf een verhoogde uitkijkplaats.
Oeraluilen zijn niet schuw en ze laten mensen
naderen tot op slechts weinige meters afstand. De paren blijven altijd bij
elkaar, zijn trouw aan hun territorium en verlaten het ook 's winters
meestal niet. |
|
|
|
|