|
|
|
Roofvogels en uilen in de wereld:
|
|
|
|
Kleine torenvalk - Falco Naumanni (Fleischer, 1818) |
Lesser kestrel |
Faucon crécerellette |
Rötelfalke |
Grillaio |
Rödfalk |
Cernícalo Primilla |
Peneireiro-das-torres |
Pustułeczka |
Lille Tårnfalk |
Populatie van deze soort loopt terug. |
| Er zijn geen ondersoorten gemeld (monotypisch). |
| Lengte : 30 - 32 cm |
| Spanwijdte : 70 - 75 cm |
| Gewicht : (M) circa 140 gram / (V) circa
150 gram |
Hij lijkt zeer veel op de
torenvalk, maar iets kleiner en
slanker. Het gemakkelijkst zijn beide soorten in het veld van elkaar te
onderscheiden door het geluid en in de vlucht aan het feit dat bij de
kleine torenvalk de beide middelste staartpennen duidelijk langer zijn
(tot twee centimeter) dan de overige.
Bij het mannetje van de kleine torenvalk in
prachtkleed zijn de rug en ook de bovenkant van de vleugels prachtig
roestrood en (anders dan bij de torenvalk) geheel ongevlekt; ook roestgele
onderzijde vertoont maar weinig donkere vlekken. De kop en de staart zijn
meer blauwgrijs en bij de zittende vogel is op de vleugels een leigrijs
veld te zien.
De vrouwtjes en de jongen zijn zeer moeilijk van die van de
torenvalk te onderscheiden, maar in
gebieden waar beide voorkomen is dit relatief gemakkelijk door de roep. De
nagels zijn altijd licht en niet zwart, zoals bij de
torenvalk. |
Afghanistan, Albanië, Algerije, Angola, Armenië,
Azerbeidzjan, Bahrein Benin, Bosnië, Herzegovina, Botswana, Bulgarije,
Burkina Faso, Burundi, Tsjaad, China, Kongo,Ivoorkust, Kroatië, Cyprus,
Djibouti, Egypte, Eritrea, Ethiopië, Frankrijk, Gabon, Gambia, Georgië,
Gibraltar, Griekenland, Guinea, India, Iran, Irak, Israël, Italië,
Jordanië, Kazachstan, Kenia; Koeweit, Libanon, Lesotho, Liberia,
Jamahiriya, Macedonië, Malawi, Mali, Malta, Mauritanië, Moldavië,
Mongolië, Montenegro, Marokko, Mozambique, Myanmar, Namibië, Nepal, Niger,
Nigeria, Oman, Pakistan, Palestijnse Gebieden, Portugal, Qatar, Roemenië,
Rwanda, Saoedi-Arabië, Senegal, Servië, Sierra Leone, Somalië,
Zuid-Afrika, Spanje, Soedan, Syrische Arabische Republiek, Tanzania, Togo,
Tunesië, Turkije, Turkmenistan, Oeganda, Oekraïne, Verenigde Arabische
Emiraten, Oezbekistan, Jemen, Zambia, Zimbabwe.
Regionaal uitgestorven: Oostenrijk, Tsjechië, Laos, Slowakije, Slovenië
Zwervend: België, Kameroen, Denemarken, Duitsland, Ghana, Ierland,
Liechtenstein, Malediven, Seychellen, Singapore, Swaziland, Zweden,
Verenigd Koninkrijk.
Oorsprong onzeker: Bangladesh, Kirgizië, Tadzjikistan
Aanwezigheid onzeker: Japan, Sri Lanka |
| Droge en open gebieden in warme streken; de voorkeur
genieten rotsachtige hellingen met spaarzaam begroeide bodem, zodat de
daar levende prooidieren gemakkelijk kunnen worden ontdekt en gevangen. |
| Een hees 'kétsjet' of 'kétsjèèèh', dat op en bij de
broedplaats veel te horen is. |
| Jaagt meestal vliegend en wiekelend, soms vanaf een
uitkijkpost; zelden lopend. Het hoofdvoedsel wordt gevormd door insecten
als sprinkhanen (krekels) en kevers; in het winterverblijf in Afrika ook
zwermende termieten en larven van het treurvliegje. Daarenboven,
bijvoorbeeld in het voorjaar als de sprinkhanen nog ontbreken, ook kleine
zoogdieren en reptielen. |
| Op één - twee jarige leeftijd geslachtsrijp. Het huwelijk
duurt gewoonlijk één seizoen; graag wordt in kolonies gebroed, maar ook
solitaire broedgevallen komen voor. Als broedplaatsen fungeren gaten in
rots- of lösswanden, in nissen, onder daken van gebouwen en soms in
boomholten of nestkasten. Broedtijd: het leggen begint eind april - begin
mei; legselgrootte: 3 - 5 eieren (35x29 mm; 16 gram), die met tussenpozen
van één tot twee dagen wordt gelegd. Ze zijn lichtbruin met roodbruine
puntjes en vlekken; broedduur 28-29 dagen; nestperiode: circa 4 weken. |
|
|
|
|