|
|
|
Roofvogels en uilen in de wereld:
|
|
|
|
Havikarend -
Aquila Fasciatus - syn.: Hieraaëtus Fasciatus (Vieillot, 1822) |
Bonelli's eagle |
Aigle de Bonelli |
Habichtsadler |
Aquila del Bonelli |
Hökörn |
Aguila perdicera |
Águia de Bonelli |
Orzelek poludniowy |
Høgeørn |
Stabiel |
Er zijn twee ondersoorten gemeld:
- Hieraaetus fasciatus fasciatus
- Hieraaetus fasciatus renschi |
| Lengte : 66 - 74 cm |
| Spanwijdte : 150 - 180 cm |
| Gewicht : (M) 1600 gram / (V) 2000 gram |
Het vliegbeeld aan dat van de wespendief; hij is echter duidelijk groter en heeft sterker gevingerde slagpennen. Bij oude vogels loopt over de onderkant van de vleugels een brede donkere band, die contrasteert met de lichte onderzijde van het lichaam. Kenmerkend
is een licht vlek op de donkerbruine rugzijde. De lange, lichtgrijze
staart heeft een brede, zwarte eindband.
Jonge vogels zijn in het eerste levensjaar van boven helemaal donker, van
onderen roestbruin tot aan de vleugelpunten. Vervolgens wordt het
verenkleed bont en is op driejarige leeftijd uitgekleurd. |
Vanaf Noord-Afrika en het Middellandse Zeegebied via Voor-Azië tot India en Zuid-China. Het in Oost- en Zuid-Afrika voorkomende ras Hieraaëtus Fasciatus Spilogaster wordt ook wel als aparte soort beschouwd.
 |
| Open, weinig beboste gebieden in een heuvel- of bergachtig landschap met rotswanden. Verkeert buiten de broedtijd graag in vochtige streken met een hoog voedselaanbod in de vorm van watervogels. |
| Tijdens het baltsen en op de broedplaats, bijvoorbeeld bij het overdragen van een prooi is een 'jie-euh' en een hoog 'jibjibjib' te horen. |
| Stort zich van grote hoogte met aangelegde vleugels razendsnel op een ontdekte prooi; jaagt ook wel laag langs rotswanden of vanaf een uitkijkpost. Beide partners jagen vaak samen. De voornaamste prooidieren zijn konijnen, rode patrijzen en kauwen; bovendien jonge hazen en ratten, duiven en vele andere vogelsoorten, alsmede hagedissen. Vliegende vogels worden in de lucht geslagen op de manier waarop valken dat plegen te doen. |
De leeftijd van de geslachtsrijpheid is niet bekend. Waarschijnlijk blijven de paren levenslang bij elkaar. De baltsvluchten beginnen al in november / december. De vogels storten zich met aangelegde vleugel steil naar beneden en schieten vervolgens weer de hoogte in.
De horst wordt bij voorkeur hoog in steile rotswanden of in ravijnen gebouwd, meestal in een holte of nis. De horst wordt gemaakt van takken en twijgen. Niet zelden wordt hij jagend achtereen gebruikt en kan dan zeer omvangrijk worden. Vaak heeft een paar een aantal wisselnesten. Broedtijd: februari - maart; Legselgrootte: meestal 2 eieren (69 x 54 mm; 11 gram), die om de twee dagen wordt gelegd. Ze zijn wit of gelig bruin gevlekt. |
|
|
|
|