|
|
|
Roofvogels en uilen in de wereld:
|
|
|
|
Balkansperwer - Accipiter brevipes (Severtsov 1850) |
Levant sparrow hawk |
Épervier à pieds courts |
Kurzfangsperber |
Sparviere levantino |
Balkanhök |
Gavilán griego |
Gavião-de-pé-curto |
Krogulec krótkonogi |
Balkanhøg |
Populatie van deze soort is onbekend. |
| Er zijn geen ondersoorten gemeld (monotypisch). |
| Lengte : 32 - 35 cm |
| Spanwijdte : 69 - 74 cm |
| Gewicht : (M) 140 - 275 gram / (V) 180 - 290 gram |
| In vergelijking met de
Sperwer, waarop deze soort zeer veel
lijkt, maak de Balkansperwer in vlucht een
slankere indruk, met spitsere vleugels en, als bijzonder kenmerk, zwarte
vleugelpunten. De staart heeft 5 - 6 donkere dwarsbanden in plaats van 4 -
5 zoals bij de Sperwer. De middelste
staartpennen zijn bij volwassen vogels effen gekleurd, zonder donkere
banden. Het grootteverschil tussen beide seksen is duidelijk kleiner dan
bij de Sperwer; vrouwtjes zijn
ongeveer 9% groter dan mannetjes. Het adulte mannetje heeft een
blauwgrijze bovenzijde en een lichte onderzijde met bleke roestrode
dwarsbandering; het adulte vrouwtje heeft een bruine bovenzijde en een
lichte onderzijde met zware roestrode dwarsbandering. Jonge vogels zijn te
herkennen aan de donkerbruine, druppelvormige vlekken op een witte
onderzijde. De iris is bij jonge vogels grijsbruin, bij adulte vogels
roodbruin. |
| Van een afstand kan het adulte mannetje Balkansperwer
verward worden met het adulte mannetje van de
Kleine Torenvalk, die echter een duidelijke zwarte eindband aan de
staart heeft, bredere en minder spitse vleugels en bovendien een heel
andere manier van vliegen. |
| Het relatief kleine broedgebied van de
Balkansperwer beperkt zich hoofdzakelijk tot
Zuidoost-Europa. Het verspreidingsgebied omvat grote delen van het
Balkanschiereiland, het oostelijk deel van de Oekraïne en het zuidwesten
van Rusland tot aan de middenloop van de rivier de Oeral, de Kaspische Zee
en het westen van Kazachstan. Verder strekt het zich uit door Turkije en
Transkaukasië tot aan het noorden van Iran. |
| In tegenstelling tot de
Sperwer is de Balkansperwer een uitgesproken
bewoner van loofbossen. Hij nestelt meestal in bossen in het laagland, bij
voorkeur in de buurt van beken en rivieren, en minder vaak in hoger
gelegen bosgebieden. In Hongarije lagen twee nesten op slechts 40 - 50
meter van gebouwen in een nederzetting; deze soort is in de broedtijd
kennelijk minder schuw dan andere roofvogelsoorten. |
| De roep van de Balkansperwer is
zeer verschillend van die van de Sperwer,
namelijk reeksen van 'koe-ik' of 'kewek'-klanken, die met de nadruk op de
tweede lettergreep en vaak in staccato ten gehore worden gebracht. De
bedelroep is een regelmatig herhaald 'kiwik'. |
| Net als de Sperwer
jaagt ook de Balkansperwer op 6 - 10 meter boven
de grond, om verrassingsaanvallen uit te voeren langs hagen en bosranden
en met struikgewas begroeide hellingen. Hij jaagt ook vanaf een zitplaats.
Naar het schijnt jagen de partners van een paar soms ook gezamenlijk,
zelfs buiten het broedseizoen. Het voedsel van de
Balkansperwer is gevarieerder dan dat van de Sperwer en kan in de
voortplantingsperiode hoofdzakelijk uit muizen en hagedissen bestaan.
Daarnaast vangt de Balkansperwer natuurlijk ook
kleine vogels en grotere insecten (sprinkhanen, kevers en cicaden). In de
schemering jaagt hij zelfs op vleermuizen. |
| Balkansperwers zijn al aan het
eind van hun 1ste levensjaar geslachtsrijp. Na aankomst op de broedplaats,
wat in het Karpatenbekken meestal pas eind april / begin mei plaatsvindt,
vertoont het mannetje een vlinderachtige baltsvlucht op een hoogte van 30
- 50 meter om een vrouwtje te lokken. Vervolgens bouwt het paar een
tamelijk klein nest van dunne twijgen, steeds in de kruin van loofbomen,
meestal op 14 - 22 meter hoogte. Begin van de leg, tweede helft van mei.
Legselgrootte 3 - 5, meestal 4 blauwwitte, ongevlekte eieren (40x32 mm; 22
gram). Leginterval 1 - 2 dagen. Broedduur 29 - 30 dagen. De eieren worden
hoofdzakelijk door het vrouwtje bebroed, dat door het mannetje wordt
afgelost. Verblijfsduur van de jongen in het nest 29 - 31 dagen. |
|
|
|
|