Eaglewatch: roofvogels en uilen
Roofvogels en uilen in de wereld:
Amerika Afrika Europa AziŽ OceaniŽ
Afbeeldingen
Balkansperwer - Accipiter brevipes
Balkansperwer - Accipiter brevipes
Balkansperwer - Accipiter brevipes
Voorkomen Balkansperwer - Accipiter brevipes
Taxonomie:
   ORDE Falconiformes Index A-Z [Falconiformes]
    ONDER ORDE Accipitres
        FAMILIE Accipitidae
            ONDER FAMILIE Accipitrinae
Benaming:
Nederlands Balkansperwer - Accipiter brevipes (Severtsov 1850)
English Levant sparrow hawk FranÁais …pervier ŗ pieds courts Deutch Kurzfangsperber
Italiano Sparviere levantino Svenska BalkanhŲk EspaŮol GavilŠn griego
PortuguÍs Gavi„o-de-pť-curto Polski Krogulec krůtkonogi Dansk BalkanhÝg
 
Rode lijst:
 
Populatie trend:
Populatie van deze soort is onbekend Populatie van deze soort is onbekend.
 
Ondersoorten:
Er zijn geen ondersoorten gemeld (monotypisch).
 
Afmetingen en gewichten:
Lengte : 32 - 35 cm
Spanwijdte : 69 - 74 cm
Gewicht : (M) 140 - 275 gram / (V) 180 - 290 gram
 
Kenmerken:
In vergelijking met de Sperwer, waarop deze soort zeer veel lijkt, maak de Balkansperwer in vlucht een slankere indruk, met spitsere vleugels en, als bijzonder kenmerk, zwarte vleugelpunten. De staart heeft 5 - 6 donkere dwarsbanden in plaats van 4 - 5 zoals bij de Sperwer. De middelste staartpennen zijn bij volwassen vogels effen gekleurd, zonder donkere banden. Het grootteverschil tussen beide seksen is duidelijk kleiner dan bij de Sperwer; vrouwtjes zijn ongeveer 9% groter dan mannetjes. Het adulte mannetje heeft een blauwgrijze bovenzijde en een lichte onderzijde met bleke roestrode dwarsbandering; het adulte vrouwtje heeft een bruine bovenzijde en een lichte onderzijde met zware roestrode dwarsbandering. Jonge vogels zijn te herkennen aan de donkerbruine, druppelvormige vlekken op een witte onderzijde. De iris is bij jonge vogels grijsbruin, bij adulte vogels roodbruin.
 
Vlucht:
Van een afstand kan het adulte mannetje Balkansperwer verward worden met het adulte mannetje van de Kleine Torenvalk, die echter een duidelijke zwarte eindband aan de staart heeft, bredere en minder spitse vleugels en bovendien een heel andere manier van vliegen.
 
Verspreiding:
Het relatief kleine broedgebied van de Balkansperwer beperkt zich hoofdzakelijk tot Zuidoost-Europa. Het verspreidingsgebied omvat grote delen van het Balkanschiereiland, het oostelijk deel van de OekraÔne en het zuidwesten van Rusland tot aan de middenloop van de rivier de Oeral, de Kaspische Zee en het westen van Kazachstan. Verder strekt het zich uit door Turkije en TranskaukasiŽ tot aan het noorden van Iran.
 
Habitat:
In tegenstelling tot de Sperwer is de Balkansperwer een uitgesproken bewoner van loofbossen. Hij nestelt meestal in bossen in het laagland, bij voorkeur in de buurt van beken en rivieren, en minder vaak in hoger gelegen bosgebieden. In Hongarije lagen twee nesten op slechts 40 - 50 meter van gebouwen in een nederzetting; deze soort is in de broedtijd kennelijk minder schuw dan andere roofvogelsoorten.
 
Geluid:
De roep van de Balkansperwer is zeer verschillend van die van de Sperwer, namelijk reeksen van 'koe-ik' of 'kewek'-klanken, die met de nadruk op de tweede lettergreep en vaak in staccato ten gehore worden gebracht. De bedelroep is een regelmatig herhaald 'kiwik'.
 
Voedsel:
Net als de Sperwer jaagt ook de Balkansperwer op 6 - 10 meter boven de grond, om verrassingsaanvallen uit te voeren langs hagen en bosranden en met struikgewas begroeide hellingen. Hij jaagt ook vanaf een zitplaats. Naar het schijnt jagen de partners van een paar soms ook gezamenlijk, zelfs buiten het broedseizoen. Het voedsel van de Balkansperwer is gevarieerder dan dat van de Sperwer en kan in de voortplantingsperiode hoofdzakelijk uit muizen en hagedissen bestaan. Daarnaast vangt de Balkansperwer natuurlijk ook kleine vogels en grotere insecten (sprinkhanen, kevers en cicaden). In de schemering jaagt hij zelfs op vleermuizen.
 
Voortplanting:
Balkansperwers zijn al aan het eind van hun 1ste levensjaar geslachtsrijp. Na aankomst op de broedplaats, wat in het Karpatenbekken meestal pas eind april / begin mei plaatsvindt, vertoont het mannetje een vlinderachtige baltsvlucht op een hoogte van 30 - 50 meter om een vrouwtje te lokken. Vervolgens bouwt het paar een tamelijk klein nest van dunne twijgen, steeds in de kruin van loofbomen, meestal op 14 - 22 meter hoogte. Begin van de leg, tweede helft van mei. Legselgrootte 3 - 5, meestal 4 blauwwitte, ongevlekte eieren (40x32 mm; 22 gram). Leginterval 1 - 2 dagen. Broedduur 29 - 30 dagen. De eieren worden hoofdzakelijk door het vrouwtje bebroed, dat door het mannetje wordt afgelost. Verblijfsduur van de jongen in het nest 29 - 31 dagen.
 
Overige:
 
 
Ingezonden foto's:
©: